[elke peinst]

[elke mijmert] over andermans angst & hoe moeilijk het is klein geluk vast te houden

Dit is het zicht waar ik deze ochtend mee op stond.

Op de radio waren er hoopgevende berichten over Oostenrijk en China (of toch voor de lijn van de correspondent uitviel en Xavier moest improviseren) en prachtige nummers uit de Classics 1000. Good Vibrations passeerde de revue, en Marianne Faithful toen ze nog een schone stem had.

Er zaten nog kaartjes in de bus van gisteren, die ik vandaag pas vond omdat ik altijd ’s ochtends mijn vuilniszakken klaar zet (dit keer met een doosje koekjes dat ik teveel had van de cheesecake van begin deze week voor de mannen van de vuilkar).

Na een kommetje cornflakes verdwenen twee sets van taken uit november van de verbeterstapel: mooie, grappige, droevige, warme teksten, geen enkel tekort. Ik mis mijn kindjes, zo hard. Waarom ik die taken zo lang laten liggen heb, geen idee, behalve dat ik mijn ziekteverlof echt wel wilde respecteren dit keer. Hopelijk trekken anderen rond mij dezelfde les uit deze hele crisis: ziek zijn is ziek zijn, gezondheid heeft voorrang op alles. Maar ze maakten mij heel blij, vanop afstand, de lieverds van 4STW.

omdat Marjan dacht dat het geen beren moesten zijn en mij verzekerde dat je ook op het tweede verdiep beestjes kan zien zitten voor het raam, staan Brussel Brontosaurus en Wit Konijn (met Jokes muts) te wuiven naar voorbijgangers

Vervolgens een paar uur mijn eigen Eerste Epische Stationsroman nalezen (omdat de Derde, waar ik aan wil beginnen, een onmiddellijk chronologisch vervolg is op deze), en aangenaam verrast door hoeveel ik al vergeten was (niks saaier dan je eigen dingen nalezen) EN dat het niet eens half zo slecht was als ik dacht. Genoten van een Danio met banaan en chocolade en rond iets na twaalf met mijn (intussen iets te) goede vrienden Dan & Jordan van de Alex Jones-podcast Knowledge Fight op stap.

Eerst naar de postbus, die voor veel mensen een levenslijn is op dit moment.

Eppegoem, nulpunt van de beschaving

Mijn vestje was meteen al te warm, er vlogen vlindertjes overal, de hemel is prachtig blauw. Wat een dag!

Hier is een geheim: als je worstelt met mentale gezondheidsproblemen, zeker sippe shit als depressie, dan ontwikkel je al snel de superkracht van overal klein geluk te zien. Het zou geen geheim mogen zijn. We zouden onze kinderen dat moeten aanleren voor we ze leren lezen, schrijven, tellen, zelfs kleurtjes herkennen: wat maakt jou blij? Andere Elke had daar een hele mooie blogpost over.

Dankbaarheidslogs, positieve schriftjes… ze helpen je blik te trainen op de mooie dingen, op de goede momenten, op de bescheiden successen. Klein geluk.

zoals een miertje in een bloemetje vinden

En toch.

Ondanks die vaardigheid, en ondanks de good vibrations van de dag, overviel me in de wachtrij aan mijn lokale Colruyt een heel eng en benauwd gevoel.

Dat lag niet aan de stralende zon of het milde briesje, noch aan de andere wachtenden voor mij: het vriendelijke mevrouwtje dat al 80 jaar was en nog nooit zoiets had meegemaakt en de meneer voor haar die er op wees dat we zo toch ook wat vitamine D op doen, dat is goei voor de gezondheid. Het lag zeker niet aan de vriendelijke medewerker die karretjes moest kuisen en de rij in het oog moest houden, of aan de efficiënte kassier.

Nee, het gevoel dat mij overviel was er één van grimmigheid. En dat is zo’n raar woord om een mens aan te grijpen. Grimmig. Niet bepaald een term die ik vaak gebruik, en zeker niet om een zonnige dag vol vriendelijke mensen te omschrijven.

Grimmig betekent onaangenaam of akelig, een negatieve verandering van sfeer of klimaat. Het betekent onvriendelijk, guur, nors, weerbarstig, onherbergzaam – een koel en hard landschap dat geen bescherming biedt, een contact zonder veiligheid of warmte. Het is dreigend, woedend, bedreigend.

Dat kan niet meer in contrast staan met mijn dag zoals ik ze beleefd heb. Een dag tsjokvol klein geluk.

Wat is er dan zo akelig? Misschien is het dat mensen extra vriendelijk zijn tegen elkaar, jovialer en spraakzamer dan anders, om te camoufleren hoe ze zich voelen? Misschien is het dat we dat idee van in de rij staan, van voorzorgsmaatregelen en rantsoeneren associëren met schrijnende verhalen van honger en armoede, elders, ver weg van ons? De Sovjetunie van mijn jeugd, Oost-Duitsland na de val van de Muur, Roemeense weeshuizen bevrijd van Ceausescu. Dat is grimmig. De gebroken landschappen van Syrische steden na ‘de bevrijding’, niet veel anders dan Dresden vlak ervoor, zijn grimmig. De gezichten van vluchtelingen in Moria op Lesbos, in Calais, te voet in rijen langs de kant van de weg in eindeloze parades op ons televisiescherm… Dat is grimmig.

Politici praten ons al jaren angst aan. Doelloze angst, niet in de zin dat de angst geen doel heeft maar dat ze niet weg te nemen valt, dat je er niks positiefs mee kan doen. Angst voor vreemdelingen die onze jobs stelen, onze vrouwen versieren, onze kinderen radicaliseren, onze sociale zekerheid leegzuigen. Angst voor een onzekere toekomst, een economische recessie, jobverlies, ziekte. Angst voor klimaatverandering, socialisme, homo’s, bange blanke mannen… Ultiem: angst voor elkaar.

Ze wijzen dan naar elders: dan worden we zoals Venezuela! Dan worden we zoals Syrië! Kijk naar al die grimmige mensen in grimmige landschappen. Als je niet naar ons luistert, als je je niet laat leiden door onze waarschuwingen, dan wordt de toekomst grimmig.

En nu zijn we zo op elkaar aangewezen. We kunnen niet anders dan vertrouwen dat anderen het goed gaan doen, dit ernstig gaan nemen, voor ons. Na jaren murw geslagen te zijn met de boodschap dat de ander een onbetrouwbare vijand is, zitten we nu allemaal in hetzelfde bootje.

Dat doet me denken aan andere bootjes, elders. En hoe sommige van die politici die ons angst aanpraatten het aandurfden om enthousiast te zijn over het zinken van die bootjes want dat bespaart ons geld.

Cynisch denk ik dan: dat mevrouwtje van 80, die man voor haar… als zij sterven, bespaart ons dat dan ook geld? Is de reden waarom er te laat duidelijke richtlijnen en beschermend materiaal voorzien werden voor woonzorgcentra niet simpelweg dat sommige politici, misschien zelfs dezelfde, stiekem ook denken dat dat een mooie besparingsoperatie zou zijn?

Cynisch, en grimmig.

En ook, fundamenteel: andermans angst. Ik ben bang van zowat alles en bijna iedereen, de ongrijpbare en doelloze angst voor afwijzing. Misschien net daarom dat die aangeleerde, ingefluisterde angsten zo weinig vat hebben op mij? Die andere mensen, die zijn niet zo gek anders dan ik. Ze gaan mij niet afwijzen omdat ze donkerder of lichter zijn dan ik, een andere taal spreken of een ander geloof belijden, rechtser of linkser op het politieke spectrum zitten, armer of rijker zijn… Ze gaan mij afwijzen omdat ik een stom wicht ben, stiekem. Hoe bevrijdend, soms, om een maf hoofd te hebben. Het kadert de wereld op een andere manier. Soms, zoals nu, een ongelofelijk voordeel.

Maar dus: dat was het gevoel dat ik had, grimmig.

En dan wandelde ik naar huis, langs een paar kleine beentjes op nog kleinere fietsjes, en een zwerm gore steekvliegen, en haalde een nieuw kaartje uit de bus dat me heel breed deed glimlachen en me meteen van dat grimmige gevoel bevrijdde.

Want hier is het punt waar ik me naartoe gemijmerd heb, en misschien is het fout of slaat het nergens op maar… Wat ons nu veilig houdt, wat ons een toekomst garandeert die niet grimmig is, is niet angst. In absoluut contrast met de politieke retoriek van de voorbije drie decennia voelen we plots, vanuit onszelf en instinctief, hoe verbonden we met elkaar zijn. We voeren strijd tegen een onzichtbare vijand, dit keer, onvoorspelbaar. Geen bootjes vol vluchtelingen, geen ijsberen op stukjes ijs, geen nazi’s in de V.S., geen parasieten die mijn pensioen komen stelen… De angst is echt nu, nabij maar onzichtbaar. We hebben geen politici nodig om ons daar op te wijzen: we zien mensen ziek worden, veraf en nabij. We zien de dood, the great equalizer, grijnzend om het hoekje staan. En dat IS grimmig: akelig, bedreigend, onherbergzaam, onveilig.

Maar wat we dit keer nodig hebben om die grimmige toekomst te voorkomen, is niet de angst voor de ander. Nee, integendeel: we hebben een onwrikbaar vertrouwen nodig in de ander, hoop dat die het goed zal doen met ons, solidariteit in onze inspanningen en verbondenheid in isolatie. We zien plots hoe ongelijk onze samenleving is: terwijl we druk bezig waren te loensen naar elkaar in wantrouwen is een kleine groep gaan lopen met onze gelijkheid en onze solidariteit. Nu pas hebben we oog voor wie essentieel is in onze samenleving, omdat we jarenlang bang gemaakt zijn dat wij het misschien niet waren. We moeten plots opnieuw leren bruggen slaan naar elkaar, en kijk eens hoe gemakkelijk dat blijkt te zijn: een boom in vrijwilligerswerk, mondmaskers naaien en boodschappen doen voor de buren, wildvreemden die met elkaar vriendelijk een praatje slaan in de rij, kaartjes in de bus. Klein geluk.

Hopelijk vergeten we dat niet meteen, eens we weer veilig zijn.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s